Tennis spelregels

Uitgebreide spelregels zijn te downloaden op deze pagina van de KNLTB. Deze beslaan echter 40 pagina's, staan vol met alle officiële regels, en maten waaraan de baan, racket en bal moeten voldoen. Zeker belangrijk als je wilt weten wat precies wel en niet mag, maar wij zullen hier op een wat eenvoudiger wijze de belangrijkste punten weergeven.

Outfit
Laat je door een sportzaak informeren wat de gangbare kleding is op een tennisbaan, welke schoenen geschikt zijn voor onze All-Weather banen, en wat een geschikt racket is voor jou als beginner of gevorderde speler. 

Wat algemene regels:

  • Voor de wedstrijd wordt circa vijf minuten ingespeeld. 
  • Daarna ga je tossen. De winnaar mag bepalen wie er gaat beginnen met serveren, óf hij mag de speelhelft kiezen. De verliezer van de toss kiest in dan de baanhelft óf wie met serveren begint.
  • Als er geen scheidsrechter is, beslist in principe elke speler op zijn helft of de bal in of uit is. Bij twijfel speel je het punt opnieuw, dit noemen we een let.
  • Bij het wisselen van baanhelft is het toegestaan om maximaal 1 minuut even te zitten, wat te drinken etc. Tijdens de game is dit niet toegestaan.
  • Speel het spel sportief, schreeuw en scheld niet op de baan.
  • Als je serveert moet je wachten tot de tegenstander klaar staat om de service te ontvangen.
  • Tel de stand in de game hardop, zodat er geen misverstanden ontstaan.
  • Na afloop feliciteert de verliezer de winnaar, en veegt ieder zijn eigen speelhelft.

Tennisbaan

De service

  • De serveerder begint het spel altijd rechts van het middenmerk en slaat de bal schuin over het net in het voor de serveerder linker servicevak (zie afbeelding). Je mag niet op of over de lijn staan met serveren, dit heet een voetfout. Je hebt twee pogingen om de bal via een service in het juiste vak te krijgen. NB: Als de bal via de netband in het servicevak belandt dan heet dit een ‘let’ en mag de serveerder een nieuwe poging wagen.  
  • Bij de service moet je de bal opgooien en slaan voordat deze op de grond tipt.
  • Zodra de bal (een deel van) de lijn raakt is hij nog 'in'.
  • De tegenstander mag de service niet terugslaan voordat de bal getipt heeft.
  • De service moet voor enkelspel én dubbelspel altijd in het servicevak geslagen worden. 
  • De volgende ballen in de rally's mogen alleen bij het dubbelspel ook in de twee buitenste vakken geslagen worden.
  • Het tweede punt serveert de speler links van het middenmerk, en slaat hij in het rechter servicevak.

Jij wint het punt als je tegenstander:

  • Tweemaal achter elkaar een foute service slaat,
  • de bal buiten het speelveld of in het net slaat,
  • jouw bal niet terug weet te slaan,
  • jouw bal twee keer heeft laten tippen voor hij slaat.
  • het net aanraakt als hij slaat.

PUNTENTELLING
Set

  • Bij tennis gaat het normaal gesproken om twee gewonnen sets. Een set wint degene die het eerst 6 games heeft gewonnen, met een verschil van tenminste twee. Dus bijvoorbeeld 6-4. 
  • Als het 5-5 is, wint degene die het eerst zeven games heeft de set, ook met een verschil van twee, dus 7-5. 
  • Bij 6-6 speel je een Tiebreak, lees hier verder meer over.

Game (ook wel 'spel' genoemd)

  • Een game win je door minstens vier punten te winnen.
  • Elke game begint op 0-0, het eerste punt noemen we '15', het tweede '30', het derde '40'. Win je ook het volgende punt dan heb je de game gewonnen.
  • Maar je tegenstander scoort waarschijnlijk ook; het punt van de serveerder wordt altijd als eerste genoemd: bijvoorbeeld 15-0, of 15-30.
  • Als het 40-40 staat (ook wel 'deuce' genoemd) moet je niet één maar twee slagen achter elkaar winnen om de game op jouw naam te schrijven. Als bijvoorbeeld de serveerder de eerste winnende slag na 40-40 maakt, noem je dat 'voordeel serveerder'. Mist hij het volgende punt, dan wordt het weer 40-40 en moet hij of de tegenstander weer twee punten achter elkaar scoren. Dit kan heel veel keer heen en weer gaan, voordat iemand uiteindelijk de game wint.

Tiebreak

  • Deze treedt in werking bij de stand 6-6
  • De speler wiens beurt het is om te serveren moet het eerste punt van het tiebreakspel serveren. Hij begint met één servicebeurt vanaf de rechterkant.
  • Er wordt nu niet geteld met '15', '30' enz maar gewoon  ‘nul’, ‘één’, ‘twee’, ‘drie’ enz.
  • Het tweede en derde punt van de tiebreak wordt geserveerd door de tegenstander. Hij moet daarbij niet van de rechterkant van de baan serveren, maar eerst vanaf links en dan vanaf rechts. Hierna serveert de eerste speler weer twee punten, eerst vanaf links en dan rechts etc.
  • De eerste speler die zeven punten wint, wint het spel en de set, maar er moet een verschil van tenminste twee punten zijn; dus bijvoorbeeld 7-5. Als de stand 6-6 is moet er doorgespeeld worden tot 8-6, of verder tot er twee punten verschil is. 
  • In dubbelspel houd je in de tiebreak dezelfde volgorde van serveren aan als in het begin van de set.
  • De speler die aan de beurt was om als eerste te serveren in het tiebreakspel, wordt ontvanger in de eerste game van de volgende set. 

Supertiebreak
In sommige toernooien wordt geen derde set gespeeld als beide spelers een set hebben gewonnen, maar in plaats daarvan een supertiebreak. De regels zijn het zelfde als bij een gewone tiebreak, maar nu is de winnaar degene die het eerst bij 10 is met een verschil van 2 punten. Die wint daarmee dan  de 3e set en dus meteen de hele partij.

Wisselen van speelhelft

  • De spelers moeten van speelhelft wisselen na de eerste, derde en elke volgende oneven game van elke set. Aan het einde van een set wissel je alleen als de optelsom van games oneven is. Je wisselt dan bij 1-0 in de volgende set weer van speelhelft.
  • Tijdens een tiebreakspel moeten de spelers na elke zes punten van speelhelft wisselen. 

Bij dubbelspel wisselen van servicebeurt, of plaats in het speelveld
Bij een nieuwe set mogen dubbelspelers de volgorde van serveren wijzigen, en ook hun plek in het veld.

Wil je de Padelspelregels weten, lees verder op de pagina Spelregels Padel

__________________________________________________________________


Namen van tennisslagen 

  • Forehand: 
de slag aan de kant van de speelhand (waarbij de palm van de hand naar voren wijst). Deze slag wordt (bijna) altijd enkelhandig geslagen. (1

  • Backhand: 
de slag aan de andere kant van de speelhand. Deze slag kan zowel enkelhandig als dubbelhandig worden geslagen.

  • Service: (opslag) 
de slag waarmee de bal in het spel gebracht wordt. Deze wordt voornamelijk boven- hands geslagen.

  • Volley: 
slag van een bal die niet heeft gestuit, kan zowel met de forehand als de backhand in een korte beweging worden teruggeslagen.  

  • Smash: slag waarbij een hoge bal (meestal zonder stuit) boven het hoofd, met kracht wordt gespeeld, de slag is vergelijkbaar met de bovenhandse service.
  • Dropshot: een bal tijdens de rally die zo kort mogelijk achter het net gespeeld wordt en zo min mogelijk opstuit. 

  • Topspin: techniek waarbij de bal voorwaarts effect meekrijgt (door de bal met een opwaartse beweging en licht voorwaarts gekanteld racket te spelen) 

  • Lob: slag waarbij de speler de bal over de tegenstander heen speelt terwijl deze bij het net staat. 

  • Rally:  Een onafgebroken reeks van slagen. Een rally begint met de opslag door één van beide spelers, waarna de tegenstander de bal vervolgens retourneert. De rally eindigt pas als het punt door één van beide spelers is gewonnen. 

  • Ace: Winnende service waarbij de tegenstander de bal niet raakt